Voor het eerst in vele jaren bezoek ik weer eens een opera. Geen Verdi, Bizet, Puccini of een Wagnertje, maar de moderne opera ‘Waiting for the Barbarians’ van Philip Glass. Deze Amerikaanse componist, bekend of beter gezegd beroemd geworden door zijn zogenoemde ‘minimal music’, wordt in januari volgend jaar maar liefst negentig jaar oud.
Wereldwijd wordt aandacht besteed aan zijn persoon en vooral werk. Twee jaar geleden bezocht ik de film Koyaanisqatsi in de grote zaal van de Oosterpoort. Live begeleid door het Philip Glass Ensemble. Nu bezoek ik een van zijn opera’s.
Waiting for the Barbarians is oorspronkelijk een roman van de Zuid-Afrikaanse schrijver John Maxwell Coetzee. In 2019 is het ook verfilmd, met o.a. Johnny Depp in een van de hoofdrollen. Dit boek uit 1980 wordt algemeen beschouwd als een van Coetzees belangrijkste werken. Mede door deze roman werd hem in 2003 de Nobelprijs voor de literatuur toegekend. En al speelt het verhaal zich af op een willekeurige plek in een willekeurige tijd: het is eenvoudig om kritiek te herkennen op het Zuid-Afrikaanse Apartheidsregime. Maar ook nu is het razend actueel. De polarisatie, het in ‘wij’ en ‘zij’ denken. Waarin wij deugen en zij niet. Wij zijn de geciviliseerden. Zij zijn de barbaren, het gevaar, de vijand en die dient preventief te worden vernietigd.

Philip Glass componeerde Waiting for the Barbarians in 2005. En thans, ruim twintig jaar later, beleven we de opera in onze eigen Stadsschouwburg. Een co-productie van de Nederlandse Reisopera, het Noord Nederlands Orkest en Club Guy & Roni. Guy Weizman tekent voor de regie.
De première-avond is uitverkocht. Minstens de helft van de bezoekers is chique aangekleed dan wel artistiekerig. Erg fijn om te zien. Ik ga altijd mooi gekleed naar het theater en vanavond ben ik eens een keer niet de enige. Ik zeg: méér opera in de schouwburg! Ik zit op rij zeven in de zaal dus behoorlijk vooraan. Maar de opera wordt begeleid door een flink live orkest dus ik zie voor het eerst de orkestbak in gebruik. Dat gaat ten koste van een aantal rijen stoelen dus ik zit pal vooraan. Ik zeg: méér orkest in de schouwburg!
Er was eens… een grensstad. Geen naam, geen tijd en geen geografische duiding.
Een magistraat geeft daar al jaren leiding aan. Dat doet hij goed. De bevolking is gelukkig. Vele tientallen kilometers verderop leeft een klein nomadisch volk. In de bossen. Dat volk is vredelievend en gelukkig. Dan komt er een hoge militaire pief uit de hoofdstad die dat volk bestempelt als barbaren. Levensgevaarlijk. Dus moet het preventief geruimd worden. Een vader en zijn jonge dochter worden gevangen genomen en gemarteld. De vader overleeft het niet. De magistraat ontfermt zich over de zwaargewonde dochter en besluit haar terug te brengen naar haar volk. Dat komt hem duur te staan.
Het zaallicht gaat uit. De dirigente Alice Farnham komt op en wordt, zoals dat bij opera gebruikelijk is, met applaus begroet. Dan volgt de ouverture. Het orkest zit dus in de bak en ook het koor is voor de pauze niet zichtbaar. Het toneelbeeld is sober. Links en rechts twee hellingen in bunker-grijs.

We maken kennis met de diverse personages. De magistraat, de vader en dochter van de Barbaren en Colonel Joll: de wreedaard. Voor het eerst wordt deze Joll vertolkt door een vrouw. En ik dacht nog wel dat als er veel meer vrouwen aan de macht waren, de wereld een stuk liever zou zijn. Ik ben een illusie armer.
De muziek is fantastisch en wordt ook fantastisch gespeeld. De cadans, de herhalingen met tientallen kleine variaties. Zowel in de noten zelf maar zeker ook in de afwisseling van instrumenten. Zo voeren de houtblazers de boventoon, dan weer de strijkers of juist koperblazers. Veel subtiele percussie zoals een woodblock en het koor met korte keelklanken of een enkele repeterende lettergreep. Het is meeslepend en vaak hallucinerend. Neem vooral allemaal een pilletje of rook een vette joint… Ik zet de muziek van Glass wel op.
Op de achterwand volgen we het leven van de barbaren. Alledaagse bezigheden.
Ze koken, sprokkelen en hakken hout, bewerken een stukje land, gebruiken de maaltijd, dansen. Op, ik schat, zo'n twintig schermen die regelmatig versmelten tot één groot beeld. Heel goed bedacht en heel, heel mooi uitgevoerd. De kostuums zijn bijzonder. Die van ‘wij’ (de Stadjers zeg maar) zijn bijna futuristisch. Plak overal een gigantische witte strik op en zie daar: de nieuw collectie van Viktor & Rolf. De kolonel en haar trawanten dragen bovendien witte lenzen in combinatie met donkere brillen. ‘Zij’ (de barbaren dus) zijn gehuld in lompen en vodden. Wellicht wat stigmatiserend maar in elk geval duidelijk.

Verwacht geen hartverscheurende aria’s of sniffende liefdesduetten. Geen couplet-refrein-couplet-refrein-modulatie-refrein-en-een-hele-lange-hele-hoge-C. Geen zangregel is hetzelfde bij Glass. De teksten zijn ook wat raar. Bijvoorbeeld: ‘Zeg tegen je moeder dat ik haar soep altijd lekker heb gevonden’. Je spreekt dat in amper vier seconden uit. Maar het is opera: één zin en je bent een dikke minuut verder. Ik zeg: méér soep in de tekst.
De choreografieën dragen overduidelijk de signatuur van Roni Haver. Ik heb ze vaker gezien en ook wel eens beter. Het is veel vlechtwerk van ledematen. Maar wel subliem vlechtwerk. Daarnaast zorgt de dans voor een hele frisse afwisseling en, veel belangrijker, het helpt het verhaal met enorme sprongen vooruit. De solisten zijn goed. Vooral de barbarendochter, herbergierster, kokkin en de drie bewakers springen er wat mij betreft uit. En het koor! Na de pauze horen wij ze niet alleen. Wij zien ze ook. Alleen al het kwartier schier eindeloos variëren met het woord Barbarians op opzwepende ritmes is al een bezoek aan deze opera waard. Hulde.
Maar de onbetwiste ster van de avond is de magistrale Magistraat. Vertolkt door Dan D’Souza. In elke lettergreep, in elke beweging horen en zien we de worsteling in zijn hoofd. Regelmatig vangen we al glimpen op van een stel welgeschapen benen maar als zijn kleding wordt weggerukt en hij in niets dan een short een half uur de longen uit zijn lijf brult, houdt de zaal de adem in. Dat zwoegende lijf met diverse tatoeages maakt hem onweerstaanbaar. Als de herbergierster, het Barbarenmeisje en zijn vaste hoer allemaal verklaren dat samenzijn met hem slechts samenzijn met zijn lichaam inhoudt en niet met zijn ziel, weigeren ze hem nog eens van dienst te zijn. Ik voel dat er heel wat vrouwen en ook de nodige mannen in de zaal zitten die die rol best een keer voor hun rekening willen nemen. Ik zeg: méér D’Souza in de Schouwburg!

Ik kan nog wel twee A-viertjes doorgaan. Maar dat doe ik niet. Het einde verklap ik ook niet. Een theaterraadseltje dan maar: kent u het toneelstuk Wachten op Godot van de Ierse schrijver Samuel Beckett? En wat was er met die Godot…..? Ik heb een weergaloos mooie en heel opwindende voorstelling beleefd. Terug op mijn woonboot kon ik de slaap niet meteen vatten. En heb nog lang liggen dommelen op de woelige barbaren…
Makers
muziek: Philip Glass | tekst: Christopher Hampton | muzikale leiding: Alice Farnham | regie: Guy Weizman | choreografie: Roni Haver | met: Dan D’Souza, Charlotte Hellekant, Joe Chalmers, Lilian Farahani, Tinka Pypker, Taylor Burgess, Fabian Homburg, Román Bordón, Sander de Jong, Wessel Wirken en Aimee Kearney | dans: Nora Monsecour en Poetic Disasters Club (junior company Club Guy & Roni) | decorontwerp: Ascon de Nijs | video-ontwerp: Luthfi Riadi | kostuumontwerp: Elke von Sivers | lichtontwerp: Maarten van Rossem | koor: Consensus Vocalis | livemuziek: Noord Nederlands Orkest
Foto's: © Eduardus Lee: ‘Waiting for the Barbarians’. Nederlandse Reisopera, Club Guy & Roni en Noord Nederlands Orkest


