'Oersoep' is een muziektheaterproductie gebaseerd op het gelijknamige boek van Bregje Hofstede. Overkoepelende thema’s zijn moederschap en klimaatverandering. En dat uitgerekend op de dag dat storm Boelo zorgt voor een uiterst gure avond en het nieuws dat Google illegaal honderdduizenden bomen heeft gekapt in Finland om datacenters te bouwen.
Theater050 mag de première bijwonen van de nieuwste boreling van NITE. Ik vind dat nog steeds een wat verwarrende naam. Die vertegenwoordigt onder meer het Noord Nederlands Toneel en Club Guy & Roni als ik het wel heb. Het bijwonen van een première is vaak een feestje. Veel bekende gezichten uit de theaterwereld. En velen hebben zich feestelijk uitgedost. Dat is een verademing.
Ik heb heel weinig met moederschap. Allereerst ben ik een man. Daarnaast een man zonder ook maar een greintje van kinderwens. Ik vind mijzelf volledig ongeschikt voor het vaderschap. De klimaatverandering vind ik overweldigend. Het slaat mij lam. Ik kom niet verder dan de auto wegdoen, geen voedsel verspillen, kringlopen frequenteren en vrije uitloopeieren. Deze voorstelling kan dus in meerdere opzichten een openbaring voor mij worden.
Een openbaring is het zeker.
Het begint allemaal best gezellig. De spelers zijn al op het podium present. Ze kuieren wat, keuvelen en frunniken met en aan elkander en begroeten bekenden in de zaal. Dat zijn er vanavond nogal veel. Zo’n première met legio genodigden is toch altijd een beetje prediken voor eigen parochie. Plots raken wij verzeild in een bevalling. Een jonge vrouw vertelt ons wat ze allemaal voelt, ziet en denkt bij het baren van een kind. Bijgestaan door de andere spelers.
Flarden tekst worden als spreekkoor over het voetlicht gebracht gelardeerd met het nodige gekreun, gesteun en oerkreten. Het is duidelijk: nieuw leven op de wereld zetten is geen sinecure. De vrouw vraagt zich vertwijfeld af of het wel verantwoord is. Een kind op de wereld zetten in deze tijd, op een uitgeputte en gekastijde aarde. Bezint eer ge begint, denk ik onwillekeurig.

Vervolgens worden wij getrakteerd op een wel heel bijzondere scène. Eigenlijk een decorwisseling maar wel een van minstens een kwartier. Allerlei voorhangen in voornamelijk roodtinten worden stukje bij beetje opgetrokken zodat steeds meer speelvloer zichtbaar wordt. Als het ware reusachtige labia die worden gespreid om de weg vrij te maken voor nieuw leven.
De hele scène wordt muzikaal begeleid door K.O.Brass: een koperkwintet. Een mooie vondst. De heren brengen (nieuw) leven in de brouwerij met een opwindende mix van vrolijke dixieland tot treurmarsen uit New Orleans en eigenlijk alles daartussen en omheen. Het gehele changement heeft iets van slapstick en uit de parochie klinkt enige malen bemoedigend gegrinnik.
Ik lees dat de voorstelling niet werkelijk bedoeld is om een emotionele band met een of meerdere karakters op te bouwen. In die zin ervaar ik het als een montagevoorstelling. Ook de volgende scènes lijken op zichzelf te staan. Rond een geïmproviseerd kampvuur van TL-armaturen krijgen we een soort padvinderijritueel te zien en vooral te horen. Een speler grijpt een gitaar en er wordt gezongen. Met een indringend refrein dat oproept om niet meer te reproduceren. Ons voort te planten dus. De uitdossing als cowboys ontgaat mij. Of het moet zijn dat cowboys van oudsher als roekeloos worden gezien. Zowel in politiek als bedrijfsleven.
Op een snijtafel wordt autopsie op een lichaam uitgevoerd. Nadat die eerst is bedekt met allerlei kant-en-klare vleespakketten uit de super. In veel plastic verpakt uiteraard. De slierten saucijzen en elastische darmen kunnen op lachsalvo’s rekenen. Nieuw is het niet: ik heb soortgelijke scènes gezien bij Studio Julian Hetzel, Mevrouw Ogterop en ook in de voorstelling Tail van Maison des Faux en NITE.
Dan volgt een nieuwe decorwisseling. Wederom een hele lange. Allemaal weer door de spelers uitgevoerd en muzikaal begeleid door de koperblazers. De changementen in deze voorstelling kunnen wat mij betreft meteen in het Guinness World Records. De twee langste op zichzelf staande changementen ooit. Een Hof van Eden wordt gebouwd. Stam voor stam, tak voor tak, toefje varen voor dotje paddo’s. Maar het paradijselijk leven is een stuk kortstondiger dan de totstandkoming. Het broertje of zusje van Boelo houdt stevig huis en blaast de idylle van de speelvloer. Hier wordt een forse ventilator voor gebruikt en ook dit is een oude bekende voor mij.
De gehele voorstelling door bevraagt de jonge moeder zich of het wel zo’n goed idee is om nieuw leven op de wereld te zetten.
De aarde lijkt gedoemd om binnen afzienbare tijd ten onder te gaan. Aan de andere kant: ze bestaat al honderden miljoenen jaren en heeft zich steeds weer hersteld of opnieuw uitgevonden. De soep wordt nooit zo heet gegeten als ze wordt opgediend. Ik herinner mij goed de grote-mensen-conversaties van mijn ouders en grootouders. De oliecrisis, koude oorlog, leegloop van de kerken, treinkapingen, enorme werkloosheid, woningnood, hongerend Afrika, Aids en dan die moderne leraren: langharige nozems met haveloze truien en blote voeten in sandalen voor de klas. Och, och, och, wat moest er toch van de wereld terechtkomen?
Aan het einde van de voorstelling wordt het speelvlak gevuld door een enorme opblaasbaby. Wederom een hernieuwde kennismaking. Wat Oersoep voor mij maakt tot een welhaast ultieme recycling van ideeën en beelden. En dan wacht buiten nóg een oude bekende: de frietkraam! Al dat baren van baby’s en zorgen maakt hongerig. Men verdringt zich om een portie gratis patat. De toneelgiganten Brecht/Weill schreven al: „Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral“.
Door niet te baren, zet je in elk geval nooit een nieuwe megalomane dictator, tiran, huisjesmelker of plofkraker op de wereld. Maar ook nooit een nieuwe mecenas, Nobelprijswinnaar, verlosser of koperblazer. Dus ouders van de K.O.Brass-leden: dank jullie wel!
Makers
Regie: Rebekka Nilsson
Tekst: Bregje Hofstede
Componist: Matthías Sigurðsson
Choreografie: Camilo Chapela
Decorontwerp: Jonathan Mertz
En anderen.



